Bodemdaling in de veenweidegebieden

Veenweide2.JPGzaterdag 02 februari 2019

Wat is er aan de hand?
Ooit zijn de moerassen in Nederland ontgonnen en geschikt gemaakt voor landbouw, en later ook voor woningbouw. Veen kwam daardoor bloot te staan aan de buitenlucht, wat ervoor zorgt dat het oxideert, oftewel verbrandt. Dat levert grote hoeveelheden CO2-uitstoot op.
Om de grond voor de landbouw geschikt te houden, zorgen de waterschappen ervoor dat het grondwaterpeil laag blijft. De oxidatie en de lage grondwaterstand zorgt ervoor dat het veen inklinkt (op veel plaatsen is het al heel dun of zelfs verdwenen), waardoor de bodem daalt. Dat zorgt ervoor dat het grondwater nog verder verlaagd moet worden, waarna deze vicieuze cirkel zich herhaalt. En de bodemdaling gaat hard: 1 tot 2 centimeter per jaar

Waarom moet de bodemdaling stoppen?
Zoals al gezegd betekent de oxidatie van het veen een enorme CO2-uitstoot. Ongeveer 25% van de hoeveelheid uitstoot van broeikasgassen die auto’s met zich meebrengen. Dat is niet goed voor het milieu en het verergert de klimaatproblematiek. Maar er zijn meer problemen. Bijvoorbeeld:

  • De bodemdaling verloopt met wisselende snelheid binnen een gebied. Daardoor zijn er steeds meer verschillende waterstanden nodig in één gebied. Dat maakt het waterbeheer duur en complex.
  • Door de verzakking van het maaiveld neemt het risico op overstromingen toe. Door de klimaatverandering wordt dit nog erger, omdat er vaker sprake zal zijn van piekwaterstanden in de rivieren.
  • De waterkwaliteit in de veenweidegebieden staat onder druk.
  • Door de bodemdaling ontstaat er schade ontstaan aan de fundering van huizen en gebouwen. Ook kunnen wegen, spoorlijnen en rioleringen verzakken. Het herstellen van de schade brengt hoge kosten met zich mee.
  • Door steeds maar verdergaande bodemdaling wordt het veenpakket steeds dunner, en verdwijnt zelfs. Het landschap verandert daardoor onherroepelijk.

Kan er iets aan gedaan worden?
Er zijn zeker oplossingen. Maar de oplossingen zijn divers (vanwege de verschillen in veensoorten en gebieden) en sommige oplossingen zijn duur. Ook betekenen sommige oplossingen om de bodemdaling te stoppen of te vertragen dat gebieden niet of veel minder gemakkelijk in gebruik kunnen blijven voor de landbouw.

De meest simpele oplossing is het niet langer verlagen van het grondwaterpeil. Maar dan veranderen de veenweidegebieden onherroepelijk weer in moeras. Dan hebben we een oud landschap terug, en de natuurwaarden gaan omhoog, maar het biedt geen perspectief voor de mensen die nu in de veenweidegebieden wonen en werken.

Een andere oplossing is het telen van gewassen die het goed doen op natte gronden. Dan kan de waterstand weer omhoog en klinkt het veen niet langer, of in elk geval veel minder snel, in. Ook lopen er proeven met bijvoorbeeld onderwaterdrainage of andere technische systemen die ervoor kunnen zorgen dat de bodemdaling veel minder snel gaat. Voordeel van deze oplossingen is dat de landbouw niet hoeft te wijken.

Wat vindt de ChristenUnie?
De ChristenUnie vindt dat de verzakking van de veenbodem gestopt moet worden, of in elk geval sterk vertraagd. Het is een probleem dat niet genegeerd kan worden, en waar we ook eerlijk over moeten zijn. Daarbij staat voorop dat boeren en bewoners moeten kunnen meepraten over de aanpak van de bodemdaling. Zo kan per gebied een gericht plan van aanpak worden gemaakt om de daling te stoppen of te vertragen. Niet elke oplossing zal geschikt zijn voor elk gebied. En er zal nog uitvoerig getest moeten worden wat wel en niet werkt. In met name Noord en Zuid-Holland is er al ervaring opgedaan met de verschillende oplossingen, en er zijn al veel onderzoeken gedaan. Overijssel kan hierbij aansluiten en gebruik maken van alles wat al gedaan is door andere provincies en Waterschappen.

Op plekken waar er echt geen andere oplossing voorhanden is, zal het grondwaterpeil omhoog moeten. Dat kan betekenen dat agrarische bedrijven verplaatst moeten worden. Als het zover komt, dan vindt de ChristenUnie dat hier een goede compensatie- of uitplaatsingsregeling voor moet zijn, minimaal vergelijkbaar met de regelingen die we nu kennen voor het uitplaatsen van agrarische bedrijven uit de Natura2000-gebieden. Het gaat immers om de aanpak van een gezamenlijk maatschappelijk probleem. Dat kan en mag niet voor rekening van een enkeling komen.

Renate van der Velde

 

« Terug